Skip to content

Insight

Manifest voor een industriële renaissance 2.0

Scroll
Manifest voor een industriële renaissance 2.0

Pleidooi voor een Belgische maakindustrie 4.0

De exponentiële kracht van een pandemie

Rond 1340 besmette een kleine marmot - een geslacht uit de eekhoornfamilie - een aantal ratten met een virus in Centraal-Azië. Het startpunt voor de macabere wereldreis die de Zwarte Dood zou aanvatten door Azië en de rest van de wereld. De ergst getroffen regio in het Oosten: de provincie Hubei. Eenmaal in Europa gearriveerd, zou tot een derde van alle inwoners direct of indirect door de pest 1.0 sterven, alles samen zo’n 25 à 50 miljoen mensen. Dat is de exponentiële kracht van de pandemie: door één marmot verloor tot wel een kwart van de toenmalige wereldbevolking het leven.

In 1340 deed de pest er tussen de 7 en 10 jaar om zich “wereldwijd” te verspreiden. Eind 2019 deed de coronapandemie op slechts enkele weken of maanden tijd over diezelfde reis. Het begon naar verluidt met een vleermuis die een buideldier, slang of civetkat op een overdrukke markt in Wuhan infecteerde, een stad met 11 miljoen inwoners in de Chinese provincie Hubei. Vandaar besmette het dier enkele stalhouders en zo werd de regio - 7 eeuwen na de pest - opnieuw het epicentrum van een globale pandemie die sedertdien als een onstopbare tornado over de wereld raast. De huidige tol: zo’n 200.000 slachtoffers.

Pandemieën reizen net als wijzelf sneller dan ooit en groeien daardoor exponentiëler. Die ongebreidelde kracht van volksziektes toont enerzijds hoe enorm kwetsbaar onze geglobaliseerde wereld was en is, maar anderzijds biedt de “oorlog tegen het onzichtbare” ook een ongelofelijke opportuniteit om onze menselijke krachten te bundelen. Net als in het verleden, kunnen we van deze wereldwijde ramp net één van onze mooiste succesverhalen maken.

Nieuwe perspectieven van een nieuwe wereld

Uit de dodelijkste rampen ontspruiten soms de meest onverwachte wonderen. Na de builenplaag kenden onze regionen een grote hoogbloei in de 15de eeuw, gelijktijdig met de Italiaanse quattrocento. Niet enkel onze economie deed het bijzonder goed, ook de kunsten beleefden hoogdagen, met als belangrijkste figuur Jan Van Eyck. Niet alleen was hij de uitvinder van de olieschilderkunst maar hij was een pionier in het aanbrengen van perspectief in zijn schilderijen - al dan niet beïnvloed door de Florentijnse architect, Brunelleschi, één van de grondleggers van de renaissance. De schilderijen van Van Eyck vormden de versmelting van wetenschap en kunst en het begin van de naturalistische, quasi fotografische kunst.

Die vernieuwde manier van kijken en het juiste perspectief zoeken, is evenzo belangrijk voor ons toekomstdenken. Stel: een persoon kijkt in 2D (van boven- of onderuit) naar een persoon die in het Guggenheimmuseum in New York de trap ronddraait. Voor hem of haar lijkt deze persoon rondjes te draaien, net zoals bepaalde sceptici die techniek en bij uitbreiding de menselijke geschiedenis als een herhaling op hetzelfde thema zien. Natuurlijk is dit deels zo.

Maar iemand anders die dezelfde persoon in perspectief ziet, weet dat de persoon naar boven loopt. Onze Stairway to Wisdom lijkt op eeuwig rondjes draaien en schijnbaar altijd hetzelfde doen, maar beschrijft in feite een innovatief pad omhoog. Laag per laag als in een 15de-eeuws olieschilderij van Van Eyck of als in een 21ste-eeuws 3D-product van Materialise. En the sky is the limit, want de technologie draait steeds snellere rondjes. Tot het jaar 2000 produceerde de mensheid zo’n 5 exabites aan data. In 2010 verdubbelden we die hoeveelheid data elke 10 uur. Vandaag vindt die verdubbeling in 2 minuten plaats. Net als pandemieën, groeien ook onze kennis en technologie steeds exponentiëler.

De ontdekking van het nieuwe perspectief verliep quasi gelijktijdig met de ontdekking van de Nieuwe Wereld. Beide waren revolutionaire verkenningen van de toenmalige ruimte, zij het op een heel andere schaal. Een eeuw na Van Eyck die een binnenkamer in perspectief vatte, projecteerde Gerard Mercator die grote buitenkamer waarin we sinds mensenheugenis vertoeven - de wereld - op een kaart. Vijf eeuwen na die twee grote Belgen, verkennen wij als mensheid nieuwe, onbekende ruimtes met nanobots en intergalactische ruimtetoestellen. Zo leidt onze Stairway to Wisdom onze kennis naar ongekende hoogtes en onze maatschappij naar nieuwe dimensies.

500 jaar, hoera voor de robot!

Een eeuw na de Zwarte Dood leefde de wereld opnieuw op. Stadstaten als Firenze maakten grote sier en de handel en kunsten bloeiden net als in Vlaanderen op. Het Venetië van het Noorden en het Zuiden waren nauw verbonden door drukke handelsroutes, waarlangs ook de ideeën van renaissance onze gewesten uit reisden, met karrenvrachten vol boeken van opnieuw ontdekte kennis uit de Oudheid en de nieuwste trends en inzichten uit de wetenschappen en kunsten.

Kort nadat Van Eyck in Brugge zijn laatste adem uitblies, zag Leonardo da Vinci in Firenze het daglicht. Da Vinci was een bijzonder veelzijdig man, een echte uomo universale, die zich zowel met de kunst van het schilderen als de wetenschap van het perspectief bezighield. Hij zette zijn eerste professionele stappen niet als kunstenaar of wetenschapper, maar als theaterproducent en bedenker van machines voor de vele spektakels van de familie De Medici. Op basis van machines die Brunelleschi voor zijn koepel van de Duomo gebruikte, ontwierp Leonardo machines die acteurs als engelen lieten vliegen.

Zijn eerste vliegtuigen ontwierp hij dus voor het renaissancetoneel, hoewel deze machines initieel niet bedoeld waren om te vliegen, net zoals de dromerige vliegmachines van Panamarenko, de Vlaamse kunstenaar-uitvinder. Leonardo’s eerste creaties zoals zijn bekende luchtschroef - die vaak als de eerste helikopter wordt gezien - vlogen niet, maar vormden wel de aanzet voor zijn latere ontwerpen van vliegtuigen die de inspiratiebron werden voor vele generaties dromers-uitvinders.

Da Vinci wordt niet alleen aanzien als bedenker van de eerste vliegtuigen, maar ook als peetvader van van de moderne robottechnologie. Automaten[1] waren al bijna 2000 jaar gekend in zijn tijd en hij ontwikkelde dus weliswaar niet de eerste robot. Maar in 1495 creëerde hij wel de eerste robot die eruit zag als een mens: een ridder die kon zitten, staan en met zijn armen en kaken bewegen. Hij ontwikkelde daarnaast een reeks robots die hun tijd ver vooruit waren, waaronder drie bewegende leeuwen voor Frans I van Frankrijk, voor wie hij de laatste 3 jaar van zijn leven als hofkunstenaar en ingenieur op het kasteel van Amboise werkte, waar hij ook begraven ligt.

Hoewel automaten an sich al duizenden jaren bestaan, trad het woord robot zelf pas in 1920 ten tonele toen de Tsjechische theaterauteur Karel Capek het theaterstuk R.U.R. of Rossum’s Universele Robots schreef. Robot is afgeleid van het Tsjechische woord “robota” (saai werk, zwoegen of dienstbaarheid) en een “robotnik” (boer, lijfeigene of slaaf). In het blijspel zien we een goed draaiend bedrijf op een eiland waar slaafse robots al het werk verrichten. Doorheen het stuk evolueren de robots, krijgen ze zelfbesef en eigenwaarde, beginnen ze te rebelleren tegen de mensen die hen uitmelken en moorden ze uiteindelijk de hele mensheid uit, op één arbeider na die hun voorplanting moet veilig stellen. Dit stuk staat mee aan de wieg van sciencefiction, een nieuw genre waarmee bladen als Amazing Stories en auteurs als Asimov de wereld de stuipen op het lijf mee joegen.

Een paar eeuwen later voert een Da Vinci-robot ingewikkelde operaties uit op mensen in gerenommeerde ziekenhuizen wereldwijd, hand in hand met de mens. En wellicht opereert de Da Vinci-robot ons ooit zonder enige menselijke manipulatie.

Slave to the algorythm

Redden Da Vinci’s robots de mensheid of laat de mens zich door technologie uitroeien zoals bij Asimov? Wie weet waarin we moeten geloven? Geert Janssens haalt in zijn boek “Waardevol werkloos” vier mogelijke scenario’s aan. Een eerste groep denkt dat alles bij het oude blijft. Een tweede groep zegt dat we levenslang zullen leren. Een derde these vreest een robocalyps waarbij al het menselijk werk door robots wordt ingepikt. Een laatste groep verkondigt de singulariteit, waarbij robots alles voor het zeggen hebben en de mensheid beheersen.

Wordt het business as usual, zoals in het eerste scenario? Ongetwijfeld niet, want momenteel zijn al te veel AI-systemen en robots actief en dat zullen er morgen nog veel meer zijn. In de industrie werken robots massaal samen met de mens of volledig zelfstandig. Smartphones raken vergroeid met onze handen en vormen een bionische arm met ingebouwde personal AI-assistent die ons hele perspectief op de wereld vat, in beeld en woord.

Machine-intelligentie wordt steeds onzichtbaarder en onvermijdelijker. Overal krijgen voorwerpen denkkracht ingebouwd waardoor ze met ons en elkaar kunnen communiceren. Gedistribueerde autonome systemen zoals Bitcoin hebben meer dan 1000 keer de kracht van de 500 grootste computers ter wereld samen. Die ecosystemen van kleine, interagerende systemen zijn dus krachtiger dan de grootste mega-serverparken. Het Internet of Things (en daarmee Big Brother) is geen utopie meer, maar een realiteit.

Technologie is soms onzichtbaar, maar het is er wel en meer dan we beseffen. 50% van het internetverkeer wordt gegenereerd door bots en het grootste deel van die bots hebben slechte (door mens geprogrammeerde) bedoelingen. In de financiële wereld werken crypto coins peer-to-peer, los van centrale banken. Zelfrijdende auto’s zijn nog niet op de markt, maar veel van de technologie zit al in nieuwere modellen. In de gezondheidszorg gebruikt men robots als gezelschapsdier en als operatietool. Op militair vlak spelen drones een steeds belangrijkere rol. Big data, het Internet of Things, AI, … de impact van nieuwe technologieën groeit elke dag gigantisch en zorgt voor ethische problemen op alle socio-economische gebieden.

Dreigen we in scenario vier van singulariteit te belanden? Dit zal in belangrijke mate afhangen of we de hiermee gepaard gaande ethische vraagstukken op tijd kunnen oplossen. Een proactieve ethiek - waarbij techniek ten dienste van samenleving staat - is cruciaal. We kunnen veel leren uit historische fouten die de mensheid maakte bij technologische vooruitgang. Zoals in 1912 toen de Titanic, die onzinkbaar werd genoemd, door menselijke overmoed in een paar uur tijd zonk. Het betekende niet alleen de laatste reis voor 1522 passagiers en bemanningsleden maar ook voor het blinde vooruitgangsgeloof. Als we ons voldoende voorbereiden en erin slagen ethisch besef in te bouwen in AI en robots, kunnen we het vierde scenario vermijden waarbij wij mensen robotslaven worden, en zetten we onze reizen naar het onmetelijk kleine en grote veilig verder.

Als het eerste scenario niet langer geldt en het vierde hopelijk sciencefiction blijft, welke optie wordt dan wel realiteit? De tweede stelling waarin we als mens levenslang moeten bijleren of de robocalyps? Een mix van beide lijkt waarschijnlijker, waarin mensen samen leren en samenwerken met robots in een sterk geautomatiseerde en geconnecteerde wereld. Cobots die in harmonie samenwerken en naar elkaar toegroeien of zelfs lichamelijk en geestelijk één worden.

Wat moeten we doen met mensen die hun job verliezen door machines? Een andere job? Of een alternatieve maatschappij? Een basisinkomen? Iedereen naar de zorg? Iedereen creatief? Niet enkel fabrieksarbeiders, maar ook notarissen, boekhouders, … iedereen kan door AI hun job verliezen. Aan de andere kant kunnen we exponentieel slimmer en sterker worden als mens en als mensheid.

Deze historische opportuniteit mogen we niet missen. Momenteel staat de mens centraal in het hele proces, zowel binnen de industrie als binnen de maatschappij. En dat dient ook zo te blijven als robotica en AI aan belang winnen. Als we niets ondernemen, kan singulariteit een selffulfilling prophecy worden. Antropocentrisme binnen de industriële revolutie 4.0 wordt primordiaal, en daarom moeten we nu actie ondernemen. Dat wordt wellicht één van de grootste uitdagingen van onze tijd.

Luddieten of uomi digitali

Geen enkele job lijkt veilig voor robots of AI. Eenmaal de disruptie finaal is, zal dit enorme schokken met zich meebrengen. Volgens sommige sceptici stevenen we op een nooit geziene socio-economische revolutie af, maar de geschiedenis kan hen en ons wijze lessen leren.

Begin 19de eeuw zorgde de weefmachine voor een gigantische, maatschappelijke ommekeer en bijzonder veel onrust in Engeland, de eerste industriële supermacht. Steeds meer arbeiders zagen de geautomatiseerde weefmachine als een levensgrote bedreiging voor hun job en verenigden zich in de Luddieten, een geheim verbond genoemd naar Ned Ludd, een ficitief persoon die in 1779 twee weefgetouwen zou vernietigd hebben.

De arbeiders besloten de vooruitgang te vernietigen die hun achteruitgang betekende. Ze konden hier en daar op begrip rekenen, zoals bij dichter en politicus Lord Byron. De Britse overheid daarentegen beschouwde de vernietiging van machines als halsdaden, sloeg alle opstand neer met militair geweld en veroordeelde de onruststokers tot deportatie naar strafeiland Australië of zelfs tot de doodstraf. In de jaren ’60 en ‘70 van de 20ste eeuw kwamen dergelijke golven opnieuw op. En ook in het licht van de nakende transitieshock mogen we dergelijke bewegingen verwachten.

Tijdens de 19de eeuw en 20ste eeuw maakte onze samenleving grote sprongen dankzij stromend water en elektriciteit. Onze 21ste eeuw wordt het tijdperk van de intuïtieve intelligentie. Eenmaal we die nieuwe realiteit omarmd hebben, zullen onze maatschappij en het merendeel van de mensen er door de technologie ongetwijfeld vooruit op gaan. De kernvraag wordt: gedragen we ons als 21ste-eeuwse, conservatieve Luddieten of worden we uomi digitali en zeggen we volmondig ja aan de cobottoekomst?

Belgium, the smartest hub on earth

Vlaanderen en België hebben een bijzonder rijke traditie qua nijverheid en technologische innovatie. Dankzij uitstekende spin- en weeftechnieken muntten we uit in de lakenproductie en bloeiden onze middeleeuwse steden in de 13de en 14de eeuw door de internationale handel. Onze regio kende een versnelde verstedelijking waardoor kennis en kapitaal gecentraliseerd werden. Ondersteund door een vernieuwende landbouw en commercialisering van de economie, ontstond er een ongeziene exportnijverheid van Vlaamse lakens in heel Europa en tot ver daarbuiten.

Rond 1450 leek de oude lakenindustrie bijna helemaal verdwenen uit de steden. Brugge was een verzamelplek van internationale kooplieden geworden waar men vooral duurdere stoffen als linnen en kant produceerde. De grovere textielnijverheid was naar het platteland verhuisd, waar men innoveerde met de productie van het lichtere saai. Dit gebeurde in de eerste protoindustriële units, productie-eenheden die groter waren dan de traditionele ambachtelijke ateliers en bovendien vrij van alle strenge regels van de ambachten.

Tegelijkertijd richtte de familie van der Beurse in Brugge de eerste beurs ter wereld op, een gebouw waar handelaars uit heel Europa koopwaar konden bekijken en ook officiële transacties afsluiten. In dit kader van internationale groothandel en bloeiende nijverheid schilderde Van Eyck zijn meesterwerken voor de nieuwe rijken van die tijd.

De godsdienstoorlogen van de 16de eeuw maakten echter een eind aan de sterke bloei van onze textielnijverheid en onze samenleving. Terwijl Nederland zijn Gouden Eeuw beleefde, werden onze contreien verscheurd en beperkt in hun groei door opeenvolgende bezettingen van Spanjaarden, Oostenrijkers, Fransen en Nederlanders. Eind 18de eeuw smokkelden Vlaamse en Waalse ondernemers Engelse technologie naar het vasteland en zette de industriële revolutie voorzichtig voet aan wal in Luik, Verviers en Gent.

Na de slag van Waterloo werden onze gebieden, de Zuidelijke Nederlanden, bij de Noordelijke gevoegd. Maar het duurde geen 15 jaar voor we ons weer afscheurden en België werden. Onze nieuwe staat werd een vrijplaats voor nieuwe ideeën op elk gebied en hielp die innovatie ook versneld invoeren. Dankzij de mix van een ultraliberale markt en een overheid die de vooruitgang mee ondersteunde, ontwikkelde België zich tot één van de meest moderne staten ter wereld, vooruitstrevend, van recht, over transport tot industrie. Op die manier werden we één van de sterkste industriële mogendheden van die tijd, samen met grootmachten als Engeland en Duitsland.

Ons land floreerde als nooit tevoren en was op vele vlakken toonaangevend. Zware industrieën als staal en steenkool behoorden tot de beste van hun tijd. Belgische ondernemers groeiden uit tot wereldleiders in spoor- en trambouw en legden onder andere de metro van Parijs en de trams in Egypte aan. We waren ook een land van uitvinders en innovators. De elektrische trein en tram werden bedacht door de Vlaams-Amerikaanse Edison, Charles Van Depoele. Bakeliet, uitgevonden door de naar Amerika geëmigreerde Gentenaar Leo Baekeland, was de allereerste synthetische kunststof en vormde de grondslag voor de moderne kunststofnijverheid. Ernest Solvay ontwikkelde een manier om soda op industriële schaal te maken wat gebruikt kon worden voor de productie van glas, zeep, papier, ijzer en tal van andere producten. Het begin van een bloeiende chemische industrie in België die tot de dag van vandaag nog sterk verankerd is in ons land.

(Nog enkele van onze uitvindingen: de oerknaltheorie, asfalt, de anticonceptiepil, BMI, de duffelcoat, de saxofoon, de statistiek, de cassette, de elektrische deurbel, de euro, de frisco, pralines, snoep, de robotmaaier, de rolschaats, de (stoom)auto, de verbrandingsmotor, de parkeersensor, de hypertext, de nachtkijker, de mercatorprojectie, de verlostang.)

Pleidooi voor een Belgische maakindustrie 4.0

We leven in een dubbel zo bijzonder land, met minstens twee volken en elk hun eigen mentaliteit. Het is het soort gespletenheid dat ons interessant maakt. We zijn niet voor niets het land van de barokke meesters en de surrealistische kunst, waar iets wat onmogelijk lijkt toch mogelijk wordt. Een unieke mengeling van arbeidsethos en feestgedruis, van creativiteit en ondernemerschap, van eeuwen kennis en vernieuwend meesterschap. Onze industriële maatschappij veranderde de voorbije decennia in een meer kennis- en servicegerichte maatschappij met een eerder beperkte rol voor de industrie.

De huidige coronacrisis toont aan hoe levensnoodzakelijk een maakindustrie op eigen bodem is. Onze geglobaliseerde wereld heeft immers meer dan één keerzijde. Zo zijn we bijzonder afhankelijk van buitenlandse markten voor essentiële producten, zoals geneesmiddelen en beschermingskledij. Kerntechnologie zoals 5G is essentieel voor een toekomst vol zelfrijdende auto’s en andere communicerende machines. Aangezien bijna al deze technologie in het buitenland gemaakt wordt, dreigen we niet enkel een gigantische achterstand qua innovatie op te lopen, maar ook effectief veel jobs en bedrijven te verliezen.

Convergerende industrieën en nieuwe technologieën zullen ongetwijfeld jobs kosten. Maar de huidige crisissen en daarmee gepaard gaande veranderingen geven ons evengoed de kans om maximaal in te zetten op innoverend en baanbrekend ondernemen. We hebben alles in ons om onze toekomst mee vorm te geven, net zoals onze chemici en trambouwers dat in de 19de en 20ste eeuw wisten te realiseren.

Evolueren we na corona als wereld verder richting institutionele harmonisatie en convergentie of kiezen we er nu voor een institutionele diversiteit en heterogeniteit na te streven? Of nog anders: opteren we voor een over geglobaliseerde wereld, waarin we voor alles afhankelijk worden van andere regio’s en andere opkomende markten. Of kiezen we ervoor om net te “glokaliseren” en al onze knowhow en middelen in nieuwe high-tech industrieën te investeren die zelf de wereld een stukje veroveren? Aan ons de keuze.

De schaal van ons land hoeft geen belemmering te zijn, wel integendeel. Dat was het toen niet, en dat moet vandaag helemaal niet. We beschikken net over een unieke geschiedenis, enorm veel opgeleide mensen, innoverende bedrijven, sterke en hechte netwerken, overheden die ondernemen willen stimuleren, burgers met veel kapitaal en bedrijven die vooruit willen. Natuurlijk moeten we ons bewust worden van onze “natuurlijke” rijkdommen, en die slim en strategisch inzetten en optimaal op elkaar laten inspelen. Elke partij dient hierbij verantwoordelijkheid op te nemen met het oog op gezamenlijk succes.

Aan de overheden van ons land

Politici zijn kapiteins die met de juiste langetermijnvisie, leeuwenmoed en gezond boerenverstand onze maatschappij de juiste richting uit kunnen sturen. Indien ze dit niet doen, kunnen ze ons doen zinken. Alhoewel we al meer dan 70 jaar oorlogsvrij zijn, dreigen er toch een aantal zaken het succes van ondernemen te belemmeren.

De voorbije jaren speelde onze onzekere en onduidelijke politieke situatie meer en meer in ons nadeel, waardoor buitenlandse investeringen uitbleven en binnenlandse investeerders liever naar andere oorden trokken. Bovendien heerst er bij ons nog altijd een schizofrene balans tussen overheidssteun en -stimulansen versus een overdaad aan belastingen en regels, waardoor we als ondernemers enerzijds hopen zuurstof toegediend krijgen maar anderzijds naar adem snakken.

Als we kijken naar begin 19de eeuw, dan zien we hoe het vrije ondernemersklimaat net onze economie deed openbloeien tijdens de eerste industriële revolutie. Natuurlijk zullen we dit nu met meer respect voor de mens doen dan toentertijd, want vooruitgang hoeft niet ten koste van ons huidig sociaal kader te zijn. De vrijheid van ondernemen moet onze opgebouwde en dierbare zorgmaatschappij net in leven houden, door het garanderen van voldoende inkomsten. Het antropocentrisme binnen industrie 4.0 is levensnoodzakelijk voor de mensheid en onze samenleving.

Overheden dienen daarom een duidelijk kader te scheppen waarin (groei)bedrijven en start-ups meer dan ooit mogen proberen, falen en groeien, met alle steun en stimulans die ze nodig hebben. Naast minder complexe regels en slimmere belastingen voor ondernemingen, moet onze overheid alle andere partijen binnen ons toekomstig succesverhaal betrekken en activeren zodat die hun rol optimaal kunnen spelen, zoals het onderwijs en de bevolking.

Aan de bevolking

De overheid moet burgers ondersteunen om voortdurend bij te leren en mee te veranderen in een snel veranderende wereld, door onderwijs en ondernemerschap te ondersteunen. Maar anderzijds moeten alle burgers zelf initiatief nemen en zelf (mee) ondernemen. Mits de gepaste prikkels van de overheid, kunnen we de 278 miljard kapitaal[2] die we nu al jaren op spaarboekjes laten verdampen, beter volop investeren in de eigen economie.

In 2019 kregen onze groeibedrijven een recordbedrag van 748 miljoen euro steun, maar de 3 grootste kapitaalrondes (Collibra, Showpad en Secure Code Warrior) werden vooral gevoed door buitenlands (Amerikaans) durfkapitaal[3]. Waarom investeren die fondsen wel in onze producten en diensten, en wijzelf niet? Waarom laten we de braindrain gebeuren onder onze ogen die ons nog geen 0,3% van ons spaargeld gekost zou hebben? Maar vooral, wat zou het ons kunnen opbrengen? Geen betere investering in een bedrijf om de hoek die dorps- en stadsgenoten werk kan geven en vanuit eigen streek tot een wereldwijde voortrekker kan groeien. Denk maar aan Carta Mundi, dat zich van traditionele kaartenproducent, tot de nummer één op fysiek en virtueel kaartvlak kroonde.

We zijn eeuwenlang een wingewest geweest, en sommigen beweren dat we dit nog steeds zijn, maar hebben we dit niet vooral aan onszelf te danken? Want als we een wingewest zijn, dan moet er hier toch rijkdom zitten. Laat ons die gebruiken om te investeren in onszelf, in onze eigen ondernemers en bedrijven. Wie weet, als onze motor op eigen kracht draait, kunnen we zelfs een volgende stap zetten en zelf durfkapitaal investeren in de wereld, zoals de Belgische ondernemers-bankiers van de 19de eeuw of het Noorse staatspensioenfonds dat vandaag doet met meer dan 1000 miljard in vooral buitenlandse beleggingen.

Aan de onderwijsinstellingen

Naast een vrij ondernemersklimaat met voldoende kapitaal, speelt ook onderwijs een essentiële rol. Ons huidig onderwijs is momenteel te veel gericht op verouderde kennis en kunde, terwijl de maatschappij buiten de schoolmuren zich razendsnel ontpopt tot een technologische intergeconnecteerde realiteit. Naast de politieke beleidsmakers, zijn ook de verantwoordelijken binnen het onderwijs op alle niveaus mee aan zet, van basis tot hoger. In plaats van gedigitaliseerde, oude kennis aan te bieden, moeten we revolutionair durven denken en volop investeren in een opvoeding waarin digitaal denken en doen een wezenlijk onderdeel wordt van ons onderwijs en onze manier van leven.

De technologie verschaft ons nieuwe manieren die veel breder toegankelijk kunnen zijn, dus laat ons dit benutten. Denk maar aan de MOOC’s (Massive Open Online Courses), online lessen die miljoenen mensen waar ook ter wereld kunnen volgen. Bovendien kan iedereen zich nu laven aan de kennis van de besten, en leren van meesters zoals Leonardo da Vinci dat ook deed bij zijn meester Verrochio. Dankzij corona konden we al voorproeven van nieuwe leer- en communicatieplatformen, van webinars tot videoconferencing. Anderzijds stijgt de behoefte aan 21ste eeuwse-agora als antidotum voor de virtuele overload, plaatsen waar we anderen echt kunnen ontmoeten, om elkaar te spreken, te inspireren en samen te (be)leven. Dit alles kan en moet nog veel beter uitgerold, zodat in de toekomst iedereen kan blijven bijleren en zich continu kan bijscholen.

Als we de juiste keuzes durven maken, zal onderwijs hier én elders een nog grotere emancipatorische rol spelen en via digitale tools meer kinderen én volwassenen meer kansen bieden. Voor die keuzes is evenzeer moed nodig bij onze onderwijsinstellingen, net zoals van onze politici. Wie zal visie, durf en daadkracht combineren om het onderwijs compleet te hertekenen, nieuwe leerinhouden te bepalen, onderwijzend personeel om te scholen, de ganse infrastructuur om te tunen? Maar alleen zo zullen de komende generaties mee kunnen met het exponentiële ritme van de technologie, meer nog, zullen ze die versnelling samen met de rest van de wereld kunnen mee helpen bedenken én maken.

Aan de ondernemers

Net zoals we als persoon onze job en onze betekenis kwijt raken als we ons comparatief voordeel verliezen, zo kunnen we ook als regio al onze jobs kwijtspelen. Vandaar hebben bedrijven en hun ondernemers een even grote rol én verantwoordelijkheid als de overheden, onderwijsinstellingen en burgers. Zij moeten de echte voorvechters van innovatie worden, om zo niet plots ingehaald en voorbijgestreefd te worden.

Door de digitisalisatie gebeurt de convergentie van technologie steeds sneller, en worden industrieën en hun bedrijven steeds sneller ingehaald of voorbijgestoken door nieuwe evoluties. Bedrijven als Kodak en Nokia bijvoorbeeld raakten hun positie in een paar jaar kwijt door de opkomst van nieuwe technologie die hun quasi monopolie verbrak door een samensmelting van hun technologie met een andere technologie. Dit soort disruptieve technologie steekt steeds sneller de kop en bedrijven in gelijke welke sector moeten zich hiervoor hoeden.

Het omarmen van nieuwe technologie is hierbij essentieel. Door het massaal inzetten op productietechnieken als 3D-printen, artificiële intelligentie, augmented reality, … kunnen we een gamechanger zijn én minder afhankelijk worden van andere regio’s. Het andere scenario waarbij we sneller dan we beseffen ingehaald worden of helemaal passé zijn, is geen optie.

Bedrijven zoals Materialise zetten nu al de krijtlijnen van morgen uit, maar de sector staat nog steeds aan het begin van zijn volle wasdom. Van organen tot huizen, we printen steeds complexere en grotere projecten, maar de groeimarge is nog enorm. Daarvoor hebben we durvers én zieners nodig, ondernemers pur sang die technologie maken die makkelijk bruikbaar is voor iedereen en altijd ten dienste staat van iedereen. Technologie zal voor en op maat van de mens zijn, of ze zal niet zijn.

Ceci n’est pas un manifeste

In ons platte land hebben we ongelofelijk veel rijkdommen op vele vlakken. Eén daarvan is de proximiteit tussen ondernemingen en onderwijsinstellingen, net als onze centrale ligging in politiek Europa en onze havens op de economische slagaders van de wereld.

Onze regio heeft de ideale voedingsbodem voor een technologische hub die ons opnieuw aan de top van de wereld kan brengen. Onze regio kan, in een nieuwe Europese brainbelt van Dresden tot Toulouse, het pompende hart worden van een renaissance 4.0, net zoals tijdens de 14de – 15de eeuw en de eerste industriële revolutie van de 19de eeuw.

Met de nodige durf van onze ondernemers, de levensnoodzakelijke steun van een vooruitstrevende overheid, onderwijs dat ons klaarmaakt voor de toekomst en burgers die hun kapitaal in eigen regio investeren, kunnen we ons als regio opnieuw op de wereldkaart zetten als innovatieve ondernemers.

Overheden, onderwijsinstanties, burgers en ondernemers, laat ons volop in onszelf geloven en in de wereld van morgen investeren. In ons land hebben we niet alleen een ongelofelijk rijke traditie van vernieuwen en excelleren, van Van Eyck tot Materialise, we hebben vandaag alle troeven in handen om dit opnieuw te realiseren en zelf anderen het nakijken te geven, in plaats van nu naar anderen te kijken.

Alleen als we met z’n allen samen al onze kennis, kunde en middelen inzetten voor een maakindustrie 4.0 zullen we een wedergeboorte van onze meest glorieuze tijden beleven in een maatschappij 4.0. Lang leve de technologie, lang leve de mens!


[1] Automaten zijn voorwerpen die eenmaal in beweging gezet uit zichzelf blijven bewegen of werken, zoals klokken of horloges. Al in de vierde eeuw voor Christus beschreef Heron van Alexandrië een mechanische, houten duif die voortbewoog op een stok. In de Oudheid werden automaten aangedreven door stromend water, gewichtjes, raders of stoom. Op hetzelfde moment begonnen ook de Chinezen automaten te bouwen. Die leken vaak op levende wezens, van vissende otters tot orkesten die muziek maakten voor de keizer. Rond 1000 brachten handelaars de Chinese automaten mee naar Europa, en begon men ook hier automaten te bouwen. Rond 1500 vond een Duitse klokkenbouwer de springveer uit waardoor er geen stoom of stromend water meer nodig waren en automaten echte op zichzelf werkende machines werden.

[2] Abeele, C. V. D. (2020, 2 januari). Steeds meer geld op spaarboekjes. Geraadpleegd van https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/01/02/steeds-meer-geld-op-spaarboekjes/

[3] Trends. (2019, 26 december). Financiering van groeibedrijven piekt. Geraadpleegd van https://trends.knack.be/economie/ondernemen/financiering-van-groeibedrijven-piekt/article-news-1547437.html?cookie_check=1588101774

Dirk De Nutte
by Dirk De Nutte